lost horizon

...ynagoge dan dat hij thuisblijft. Naarmate Arnon ouder wordt, groeit zijn verzet tegen zijn joods-religieuze achtergrond en stuurt hij doelbewust aan op een breuk. Op feestdagen laat hij zich steeds minder vaak zien en om zijn gebrek aan eerbied te onderstrepen bezoekt hij tijdens het joodse paasfeest ook voor de eerste keer een prostituee. Wanneer zij vraagt of hij nog veel doet aan zijn joods-zijn, zegt hij ondeugend: ‘Nou dat valt reuze mee’ (p. 136). En als zij hem vraagt of de Palestijnen een eigen staat zouden moeten hebben, antwoordt hij: ‘Geef ze vijfendertig staten (…) ik weet het niet, politiek interesseert me niet zoveel’ (p. 137). In een dronken bui noemt hij ‘gaskamersoep’ de ‘soep van de eeuw’ en hoewel hij refereert aan de kamptrauma’s en de schuldproblematiek van zijn moeder, gaat hij er verder niet op in (p. 93, 129, 158). Uiteindelijk vertoont Arnon zich ook op Jom-Kippoer niet meer in de synagoge en komt hij tot een ondubbelzinnige afwijzing van zijn afkomst: ‘Straks moesten we weer appeltjes met honing eten. Alleen zonder mij. De warmte die je kon vinden tussen de appeltjes met honing, de kaarsen en de galles, de troost en de warmte die ze je beloofden als maar deel wilde uitmaken van het uitverkoren volk, was een paar duizend keer valser dan de warmte die je kon krijgen van de eerste de beste straathoer zonder gebit’ (p. 256). Het boek is in dit opzicht dus een ware afrekening en aan het einde heeft Arnon zich op overtuigende wijze losgemaakt van de wereld van zijn jeugd: van school, van zijn vriendinnetje, van zijn familie en van zijn religie. Maar zijn eerste schreden in het volwassen leven kunnen allesbehalve geslaagd genoemd worden. Dierbare relaties heeft hij niet opgebouwd, duidelijke toekomstplannen heeft hij niet weten te ontwikkelen en intellectuele onplooiing lijkt hij evenmin te zoeken. Hij heeft geen baan gevonden die hem boeit, terwijl de betaalde seks die hij wel actief opzoekt hem eigenlijk amper opwindt. Er is sprake van een ontwikkeling naar een zekere eenzaamheid en nihilisme in zijn leven. Teruggeworpen op zichzelf, is Arnon aan het einde uitgeblust. Hij nergens in de stad meer drinken op de pof en heeft nog weinig ideeën over wat hij met zijn leven aan moet. Het bereiken van deze nulgraad van het bestaan wordt gemotiveerd door de ontwikkeling van Arnons mensbeeld en zijn kijk op de wereld, een die ontdaan is van alle sentimentaliteit en verwachting. Op jonge leeftijd gelooft hij nog in de illusie van de verschillende ‘levens die je zou kunnen leven’ (p. 28), maar tijdens zijn adolescentie raakt hij steeds meer overtuigd dat niet een van die mogelijke levens meer de moeite waard is dan een ander, dat een groter verband ontbreekt en dat alles en iedereen inwisselbaar is. Op school, waar voortdurend over idealen moest worden gepraat, krijgt hij te horen dat hij zijn toekomst vergooit, maar hij voelt dan al intuïtief aan dat er niet veel te vergooien is. Over mensen die zeggen dat je in je leven kunt ingrijpen, meent hij dat zij dat zelf nooit hebben gedaan. Arnon neemt regelmatig een afstandelijke zo niet minachtende houding aan, hij speelt een spel met de anderen omdat hij het gevoel heeft dat zij ook een spel met hem spelen; ze kunnen immers ‘maar niet genoeg krijgen van al die leugens die ze elkaar vertellen’ (p. 241). Met evenveel gemak kan hij daarentegen ook het ‘eigen armzalige leven’ opvatten als iets ‘dat al begonnen was te stinken nog voor het goed en wel begonnen was ‘ (p. 251). Het bestaan, zo ontdekt Arnon, is een ontluisterende aangelegenheid, mensen zijn in zijn ogen ‘zo vervangbaar als een plastic tas’ (p. 252) en al zijn hoop op ‘grote antwoorden op grote vragen’ is tegen het einde van zijn verhaal vervlogen (p. 256). In zijn groei naar volwassenheid peilt hij de diepte van het bestaan en komt tot de conslusie dat het weliswaar went om mens te zijn, maar dat hij net als iedereen volledig aan de grillen van het leven is overgeleverd. Er rest hem niets dan ‘de schaarse vrolijke momenten’ uit te buiten (p. 114). In concrete zin verwijst de titel van de roman naar de naam van de naam van het escortbureau, waar Arnon zich tegen het einde inschrijft om zijn diensten aan vrouwen onder de zeventig aan te bieden. ‘Blue Moon’ suggereert de valse romantiek van het in wezen holle wereldje van de commerciële seks. De eerste dag dat Arnon klaar zit om aan de slag te gaan, maar niet wordt opgeroepen, is bovendien een maandag. In relatie tot het leven van Arnon verwijst de titel verder naar de talloze baantjes die hij sinds het verlaten van school voor korte duur, voor een ‘blauwe maandag’ heeft gehad. Ten slotte roept de titel in relatie tot het verhaal als geheel een somber en melancholisch levensgevoel op, alsof alles vanaf de intrede in de volwassenheid nog slechts zal bestaan uit tot mislukken gedoemde bezigheden en uitzichtloze dagen. Een leven van blauwe maandagen stelt weinig voor, kent geen bezieling, heeft niet veel om het lijf, maar is wel het werkelijke leven, zo suggereert de roman. Personages Vader beschikt duidelijk over geld, maar het is niet duidelijk wat voor werk hij doet. Zonder al te veel gezeur betaalt hij de rekening van Arnon en Rosie in de Oesterbar. De bar mitswa van Arnon kost vijfduizend gulden. Vader zou in postzegels handelen, maar dat heeft Arnon hem nooit daadwerkelijk zien doen. Hij laat zijn vrouw en zoon een onrendabele rijschool in Berlijn en een kluis vol postzegels na. Het huwelijk van de ouders van Arnon is wankel, gezien de vele serviezen die sneuvelden en de vele malen dat vader zich terugtrekt in de badkamer om daar te drinken. De devotie waarmee moeder vader verzorgt tijdens zijn ziekte is daarom des te vreemder en misschien alleen te verklaren uit het schuldgevoel dat zij heeft over de dood van haar eigen vader in het kamp. Details daarover komen noch Arnon noch de lezer te weten. We weten wel dat de moeder ongelukkig is, dat ze haar verloren schoonheid die haar in het kamp enige bescherming bood, heeft verloren. Haar tanden zijn haar trots. Die zijn in het kmap goedgebleven omdat ze ze daar elke dag met een doek bewerkte. Arnon lijkt met zijn vader nauwelijks contact te hebben, behalve aan de vooravond van zijn vertrek met Rosie naar Antwerpen. Vader geeft dan commentaar op de foto van Rosie en zoekt in een kast naar Belgische franken voor Arnon. Met zijn moeder heeft hij schijnbaar meer contact. Op traditionale momenten zoekt hij haar op en houdt haar gezelschap. Zij moet iets van levenswijze weten, anders zou zij niet regelmatig op zijn antwoordappartaat inspreken dat hij zich niet dood moet drinken. Arnon zou wel graag doelen in zijn leven willen hebben en een paar maal is hem dat ook gelukt, maar zijn besef over de uiteindelijke nietswaardigheid van het individu wint het meestal van zijn positieve voornemens. Het geld dat hij van moeder heeft geleend om zijn schuld aan een drukker te voldoen, besteedt hij aan een escort-meisje; zijn uitgeversloopbaan heeft kort geduurd en weinig anders opgeleverd dan schulden. Zelfs bij zijn carrière als escort-boy kunnen we grote vraagtekens plaatsen. Bouw Het verhaal is opgebouwd uit een aaneenschakeling van anekdoten die in een min of meer chronologisch lijn worden verteld, waarbij de nadruk ligt op Arnons ervaringen rond zijn zestiende, negentiende en tweeëntwintigste levensjaar. De roman biedt dus geen doorlopend verslag van zijn groei naar volwassenheid maar richt zich op een aantal episodes in dat proces. Daarnaast speelt in het verhaal de flashback een belangrijke rol: herinneringen aan voorvallen en gebeurtenissen uit Arnons eerdere leven zijn door de chronologische lijn heen geweven, waardoor zijn jeugd als geheel beter in beeld komt, zonder dat overigens een volledig overzicht van zijn verleden wordt gegeven. Het korte eerste deel, dat als proloog dienst doet, vormt een uitzondering op dit patroon voor zover het slechts betrekking heeft op de vroege jeugd van Arnon en deels over de dood van zijn vader gaat, een episode die chronologisch gezien tussen het derde en vierde deel past. Naarmate het verhaal vordert wordt de verteltrant losser en minder wervelend, wat samenhangt met de ontwikkeling van het hoofdpersonage, die in een matte en moeizame fase van zijn leven terechtkomt. Het einde kan dan ook beschouwd worden als een dood punt: Arnon heeft zich overtuigend losgemaakt van zijn verleden, maar verder nog weinig gepresteerd en zich zelfs in een situatie gemanoeuvreerd waarin hij gedoemd is om te wachten – wachten op een telefoontje van het escortbureau, opdat hij wat geld kan verdienen. Blauwe maandagen is een goed voorbeeld van een Bildungsroman. Grunberg zoekt aansluiting bij die verhalende traditie om verschillende aspecten van de ontwikkeling van zijn hoofdpersonage tijdens een cruciale levensfase in beeld te brengen: het verzet tegen gezag, het afscheid van school, de eerste sterke drank, de dood van de vader, de eerste seks, de loskoppeling van het van huis uit meegekregen gedachtegoed, de eerste baantjes en mislukkingen, de eerste zelfstandige stappen in de maatschappij, de vorming van een eigen wereldbeeld – het zijn de klassieke ingrediënten van de moderne Bildungsroman. In dit genre is de plot min of meer gegeven en daarom van ondergeschikt belang. Al is Blauwe maandagen deels opgebowd op een anti-Bildungsplot, de centrale rol van het hoofdpersonage blijft overeind. De beslissing om het belangrijkste personage dezelfde naam te geven als de auteur, terwijl dat personage bovendien het enige perspectief op de handeling geeft en het blijft, suggereert bovendien de autobiografische inzet van het verhaal. Grunberg gebruikt de romanvorm niet om een spannende plot op te bouwen of om abstracte ideeën of een veelheid aan levensvisies te formuleren, maar om de ontwikkeling van een wereldbeeld te laten zien. Hoewel het er in dat verband nauwelijks toe doet of de ervaringen en visies van het personage Grunberg samenvallen met die van de auteur Grunberg, is het niettemin verrassend dat het personage Arnon aan het einde ineens actief lijkt te zijn als schrijver, als hij vertelt dat hij vroeger altijd een vriendin wilde ‘die alles geweldig zou vinden wat ik schreef’. Bovendien zegt hij ontdekt te hebben ‘dat alle schrijvers in bezit zijn van vrienden en vriendinnen die al flauwvallen bij ieder lidwoord dat ze op papier zetten. Dat is goed te merken aan hun boeken’ (p. 268). Deze plaagstoot van het personage Grunberg aan het adres van de collega’s van auteur Grunberg bevestigt dat auteur, verteller en hoofdpersonage van Blauwe maandagen het goed met elkaar kunnen vinden, maar mede dankzij de zelfrelativering en het onhechte wereldbeeld in de roman zijn zij nergens te innig met elkaar. Taalgebruik De ontnuchterende kijk op mens en wereld wordt in de roman bovendien verzacht door een milde en soms ook venijnige humor, die zelden langer dan een bladzijde op zich laat wachten. Het besef van uitzichtloosheid en de relativering ervan grijpen voortdurend, vaak bijna onzichtbaar in elkaar. De auteur bereikt dit effect door het gebruik van strategieën zoals contrast, ironie, woordspel, herhaling, overdrijving en vooral understatement. Het banale en het serieuze, het verontrustende en het grappige staan in de roman veelvuldig naast elkaar, waarbij de gekozen beeldspraak vaak een belangrijke rol vervult. Arnon voorziet de handeling regelmatig van naïef bespiegelend commentaar en de keuze voor dit afstandelijke vertelperspectief vergroot de geestigheid van de roman eveneens. De retrospectieve passages waarin Arnon vertelt over zijn belevenissen worden steeds afgewisseld met scènes en directe dialoog, wat de levendigheid van het proza ten goede komt. De belangrijkste spanning in het boek heeft dan ook niet zozeer betrekking op het verloop van de gebeurtenissen of de beschrijvingen van Arnons seksuele ervaringen, maar op de beheersing van de gehanteerde schrijftechniek. Vooral het eerste en derde deel, waarin de relatie tussen Arnon en zijn vader gestalte krijgt, vormen in dit opzicht een hoogtepunt. Beschrijvingsopdracht (p. 40) Korte motivatie van de boekkeuze: Dit boek heeft vele prijzen gewonnen, het is een zeer gewaardeerd boek. Mijn persoonlijke reactie na het boek gelezen te hebben: Ik was er benieuwd naar een boek van Arnon Grunberg, omdat er veel over hem geschreven is de voorbije jaren, hij lijkt me een fascinerende man en ik spreek uit ervaring als ik zeg dat het een goede schrijver is. Beschrijving van de relatie tussen leven en werk van de schrijver: In meer of minder gefictionaliseerde vorm komt Grunbergs eigen leven ruimschoots in zijn romans aan bod. Blauwe maandagen (1994) gaat over de belevenissen van Arnon Grunberg, een adolescente Amsterdamse jongen, afkomstig uit een joods milieu, die terugblikt op zijn prille leven. Hij is van school gestuurd, woont op kamers, brengt veel tijd door in cafés en restaurants en heeft af en toe een baantje. Zijn vader is na een slopende ziekte overleden en met zijn moeder, een overlevende van het concentratiekamp, onderhoudt hij een moeizame band. Uit nieuwsgierigheid naar seksualiteit bezoekt hij hoeren en ontvangt hij escortdames. In Figuranten (1997) fungeert Ewald Stanislas Krieg als Grunbergs alter ego. Hij is achttien jaar, woont in Amsterdam, wil acteur worden en lijkt ook qua uiterlijk op Grunberg. Samen met zijn vrienden Broccoli en Elvira probeert hij hogerop te komen in de wereld van film en theater, maar zonder succes. Broccoli en Elvira vertrekken naar Amerika en uiteindelijk verhuist ook Krieg naar New York, waar hij zich transformeert tot makelaar. Module 1 Verdiepingsopdracht 1 (tekstbestudering) p. 40-41 1. Pas vanaf het derde deel van het boek kom je achter de naam van de hoofdpersonage, Arnon, dit wekt al enkele verwachtingen. Je krijgt het idee dat de vader van Arnon in duistere zaakjes betrokken is, is dit zo, nee. Is Rosie de ware liefde van Arnon? Ook een verwachting die wordt gewekt door Grunbergs schrijfstijl. 2. Het verhaal bevat weinig open plekken. De belangrijkste open plekken worden opgeroepen door de tijdsprongen. Het boek bestaat uit drie delen en bij het begin van elk nieuw deel zijn er een paar jaren vervlogen. 3. Bij elk begin van een nieuw deel van het verhaal verschijnen er open plekken, bijvoorbeeld na deel twee; heeft Arnons vader nog lang geleefd?, hoe is Arnon het dit zoveelste baantje geraakt? 4. In de roman staat aldus de spanning tussen jeugd en volwassenheid centraal. Het wordt uitgewerkt aan de hand van twee gelijktijdige processen in de ontwikkeling van het personage Arnon: het zich losmaken van de wereld van zijn jeugd en het zoeken naar een eigen, ‘volwassen’ bestaan. Hoe en op welke manier gebeurt dit en lukt hem dat ook? 5. Op het einde van het boek is het duidelijk dat Arnon zich verlost heeft van de wereld van jeugd. Er zijn weinig op plekken die de lezer zelf moet invullen. Het plot is niet zeer belangrijk in dit verhaal, en wordt in het verhaal zelf al ver uit de doeken gedaan. 6. Het banale en het serieuze, het verontrustende en het grappige staan in de roman veelvuldig naast elkaar, waarbij de gekozen beeldspraak vaak een belangrijke rol vervult. Arnon voorziet de handeling regelmatig van naïef bespiegelende commentaar en de keuze voor dit afstandelijke vertelperspectief vergroot de geestigheid van de roman eveneens. De retrospectieve passages waarin Arnon vertelt over zijn belevenissen steeds afgewisseld met scènes en directe dialoog, wat de levendigheid van het proza ten goede komt. De belangrijkste spanning in het boek heeft dan ook niet zozeer betrekking op het verloop van de gebeurtenissen of de beschrijvingen van Arnons seksuele ervaringen, maar op de beheersing van de gehanteerde schrijftechniek. Vooral het eerste en derde deel, waarin de relatie tussen Arnon en zijn vader gestalte krijgt, vormen in dit opzicht een hoogtepunt. 7. Er is voornamelijk gebruikt gemaakt van grote spanningsbogen. In dit boek speelt de beschrijving van het verloop van de gebeurtenissen geen grote rol, vooral de ironie en de daaruit voortvloeiende humor boeiden mij enorm. K.L.L (opdracht 9) p. 78 Biografie – Arnon Yasha Yves Grunberg werd geboren op 22 februari 1971 te Amsterdam. Hij groeide op in een joods, uit Berlijn afkomstig emigrantengezin in de Rivierenbuurt. Tot zijn vijftiende bezocht Grunberg regelmatig de synagoge. Zijn opleiding aan Vossiusgymnasium heeft hij niet afgemaakt, omdat hij na de vierde klas wegen onaagepast gedrag van school werd verwijderd. Omdat hij graag acteur, wilde worden, deed Grunberg auditie op de toneelscholen van Amsterdam en Maastricht. Hij werd echter op geen van beiden toegelaten. Wel is hij rond 1990 korte tijd actief geweest als acteur, met voornamelijk kleine rollen in promotiefilms, maar al snel verloor hij zijn ambitie in die richting. Hij werkte daarna onder meer twee jaar lang op een kantoor, waar hij werd ontslagen wegens een voor collega’s geschreven ‘obsceen’ sinterklaasgedicht; ook heeft hij geprobeerd een uitgeverij op te zetten. Als schrijver bleek Grunberg vervolgens meer succesvol. Zijn eerste bundel toneelwerk (aangevuld met gedichten en kort proza) verscheen in 1993, onder de verzameltitel De dagen van Leopold Mangelman / Brief aan M / Schoonheid en bier. Een jaar later verscheen zijn debuutroman Blauwe maandagen. Grunberg verhuisde in januari 1995 naar New York. Sindsdien publiceert hij met grote regelmaat in NRC Handelsblad. Behalve ingezonden brieven en essayistische boekbesprekingen verschenen in dit dagblad de reeks ‘Brief uit Amerika’ (1995-1996), het feuilleton ‘Elke dag zwaardvis’ (1996-1997) en de reeks ‘Grunberg rond de wereld’ (sinds 1997). Andere proza van zijn hand is onder meer afgedrukt in de literaire tijdschriften Tirade, Hollands Maandblad, De Tweede Ronde en Optima. Verder heeft hij sinds 1994 onder zijn tweede voornaam, Yasha, een column in de VPRO-Gids en levert hij sinds dat jaar bijdragen voor het VPRO-radioprogramma De avonden. Al op jonge leeftijd verdiende Grunberg zijn eerste prijs als schrijver: in 1988 won hij de toneelschrijfwedstrijd voor de jeugd van Toneelgroep Amsterdam met de eenakter Koningen Frambozenrood. Voor Blauwe maandagen ontving hij de Rabobank Lenteprijs voor Literatuur 1994, de Anton Wachterprijs van dat jaar en het Gouden Ezelsoor, de prijs voor het best verkochte literaire debuut. Het boek is inmiddels in ruim tien talen beschikbaar, onder meer het Engels, Deens, Duits, Spaans, Japans en Italiaans; Ook Figuranten is in diverse talen beschikbaar. Grunberg kreeg voor De troost van de slpstick (1998) het Charlotte Köhler-stipendium 1999. Met Fantoompijn won hij de AKO-literatuurprijs 2000. Op basis van de roman Figuranten schreef Grunberg een toneelversie die in het voorjaar van 1999 is uitgevoerd. In opdracht van de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek leverde hij het geschenk voor de Boekenweek 1998. Vrijwel alle kenners beschouwen Grunberg bovendien als degene die zich achter pseudoniem Marek van der Jagt verbergt. Diens romandebuut De geschiedenis van mijn kaalheid (2000) werd beloond met de Anton Wachterprijs 2000. Verband tussen leven en werk – Zie beschrijvingsopdracht (p. 40 vragen). Belangrijkste onderwerp(en) in zijn werk – Zonder uit te zijn op comprosmissen schrijft en verkiest Grunberg een literatuur die luchtig de hopeloosheid van de menselijke soort belicht. Deze visie komt nog eens ondubbelzinnig tot uitdrukking in De Mensheid zij geprezen (2001), een variatie op de vorm en thematiek van Erasmus’ Lof de Zotheid. Grunberg plaatst zich met zijn verhandeling in de lange humanistische traditie die door middel van strategieën als humor, omkering, paradox, overdrijving en uitvergroting de mens een spiegel voor wil houden. Zo formuleert de auteur in zijn lofzang ideeën over het huwelijk als een gruwelijk uitvinding, het verstand als een fuik, oorlog als een frisse wind en beschaving als een vorm van verdoezelen. En de mens? ‘Voor zichzelf is hij niets, in ieder geval altijd te weing.’ Net als in zijn romans laat Grunberg ons hier weten hoe weinig er feitelijk te zien valt wanneer we in de spiegel kijken. Stijl – De enige manier om Grunbergs ontnuchterende kijk op mens en wereld te relativeren biedt de humor, die bij Grunberg zelden langer dan een bladzijde op zich laat wachten. Het besef van uitzichtloosheid en de relativering ervan grijpen voortdurend, vaak bijna onzichtbaar, in elkaar. Hij bereikt dit effect door technieken toe te passen als contrast, ironie, herhaling, over drijving en vooral understatement. Belangstelling van het publiek – De belangstelling voor Grunbergs werk is uitzonderlijk groot. Als gevolg van interviews op de tv en in de landelijke pers, maar ook door zijn polemische aanwezigheid in de media (in columns en ingezonden brieven), is er in korte tijd als een publiek imago van hem ontstaan dat enigszins doet denken aan het contrversiële beeld dat W.F. Hermans van zichzelf wist op te roepen. Zo wijdde de VPRO-televisie een programma aan Grunbergs leven in New York (13-4-1997). Zijn romans zijn literaire bestsellers en met name de tweede werd in de belangrijkste landelijke en regionale dag- en weekbladen onmiddellijk en veelal door toonaangevende recensenten besproken. Algemene reacties van de critici – De critici beoordelen zijn werk overwegend positief. Jaap Goedegebuure en Doeschka Meijsing getuigen zelfs van groot enthousiasme, vooral om Grunbergs soepele stijl en zijn fijnzinnige verweving van ernst en humor. Toch zijn er ook critici die kanttekeningen plaatsen bij zijn romans, omdat deze onevenwichtig van opbouw zouden zijn, overbodige of saaie scènes zouden bevatten, of omdat Grunberg zijn emotionele afstandelijkheid te ver zou doorvoeren. Module 2 Verdiepingsopdracht 1 (tekstbestudering) p. 60-61 1. Het boek is geschreven vanuit het vertellers-perspectief, de hoofdpersonage noemt zichzelf ‘ik’. De hoofdpersonage is naar eigen zeggen niet knap. Arnon is in het begin van het verhaal een jaar of 16, hij gaat naar de middelbare school. Bij het begin van het derde deel is hij rond de twintig, in de tijd dat hij bij Blue Moon gaat werken. Hij is puisterig, heeft een bril, een dikke neus en lange krullen. Hij is vroegtijdig gestopt met school is daarn...

Essay Information


Words: 7091
Pages: 28.4
Rating: None

All Papers Are For Research And Reference Purposes Only. You must cite our web site as your source.